De duisternis is die decemberavond 1944 nog maar net over de Amsterdamse marinewijk Kattenburg gevallen of vage schimmen drommen geheimzinnig samen. Zes kinderen worden nagenoeg geruisloos in een bakfiets gehesen voor een lange, niet ongevaarlijke tocht met als eindbestemming Ameland. Coen Bulté (84) is een van hen. ‘Het was Oorlogswinter. We hadden weinig te eten. Op Ameland zou het beter voor ons zijn.’

Tekst: Roelof Tienkamp & Jolanda de Kruyf    Fotografie: Jantina Scheltema

Roots op Ameland
Coen: ‘Onze roots liggen op het eiland. M’n grootouders komen ervandaan, grootvader Barend Wiebenga was zeeman en kon werk krijgen in de haven van Amsterdam. Zodoende zijn ze verhuisd.’ Oma Christine was familie van Pieter Boelens, graanmaler op de molen van Nes. Zo zijn volgens mij toen de contacten gelegd.’

Van het gezin Bulté hadden Coen en z’n drie zussen Door, Stien en Erna zich in de bakfiets onder wat lompen verstopt voor de eerste etappe naar Den Oever, waar ze bij een boer mochten slapen. De karavaan werd begeleid door de tantes Trien en Agaath Wiebenga en een derde heldin, waarvan Coen de naam niet zeker meer weet. In Den Oever werd gewacht op de duisternis van de volgende nacht, toen te voet de Afsluitdijk moest worden overgestoken.

‘Mee tot aan Bolsward’
Hij kan zich nog tot de dag van vandaag herinneren dat ergens halverwege een auto stopte en vroeg waar ze naar op weg waren. ‘Naar Ameland’, klonk het in de nacht. Het antwoord was bemoedigend: ‘Daar kom ik niet, maar jullie kunnen wel mee tot aan Bolsward.’

Coen: ‘We moesten onder een stuk zeil kruipen, want de Duitsers mochten ons natuurlijk niet zien.’ Hij lacht. ‘Nee, ik heb het dat hele avontuur niet eng gevonden, wel spannend. We waren nog maar kinderen natuurlijk.’ Ook in Bolsward vonden ze onderdak bij een gastvrije boer. De volgende ochtend gingen ze lopend verder richting Leeuwarden. ‘Dat ging eigenlijk een beetje spelenderwijs’, zegt Bulté er nu van, ‘soms konden we een eindje meeliften op een melkkar of een paard en wagen, we bedelden onderweg ook wel bij boeren om wat te eten. Niet iedereen was even vriendelijk, maar de meesten wel. Ik weet nog dat we ergens brood met gebakken uien kregen. Een ware delicatesse.’ In Leeuwarden werden de kinderen ‘verdeeld’ over verschillende adressen om de nacht door te brengen. ‘Achteraf realiseer je je pas wat voor risico’s mensen voor ons hebben genomen.’




De barre 

voettocht van

Amsterdam 

naar Ameland

Coen Bulté bracht Hongerwinter grotendeels op eiland door

Samen op zolder
Nadat ze zich in Leeuwarden weer hadden verzameld, verliep ook de laatste etappe naar Holwerd zonder problemen. Coen: ‘Daar hebben we samen op zolder gelegen bij de familie Visser. Het boerderijtje staat er nog steeds.’

De volgende dag was het wachten op het juiste tij voordat ze via het kleine steigertje een oude barkas werden opgesmokkeld. Toen het kleine motorschip later kriskrassend de slibbanken ontweek zaten de verstekelingen weggedoken in het halfduister van het ruim. Uiteindelijk zou het gezelschap zonder problemen veilig op het eiland aankomen en werd Coen ondergebracht bij Gerben de Jong (Antje Gerben in de volksmond), familie in Buren. Hij zou er tot na de bevrijding op 3 juni blijven, ging er zelfs nog enige tijd naar school. ‘Een bijzondere tijd’, herinnert hij zich, ‘het leven was er heel anders dan in Amsterdam. Vrijer. En honger hebben we er niet gehad.’

De band met Ameland is nadien altijd gebleven. Er werden talloze vakanties doorgebracht en vier jaar geleden streek Coen samen met echtgenote Finy definitief neer in Buren, op het eiland van z’n voorvaderen.

De barre 

voettocht van

Amsterdam 

naar Ameland

Tekst: Roelof Tienkamp & Jolanda de Kruyf   Fotografie: Jantina Scheltema

Coen Bulté bracht Hongerwinter grotendeels op eiland door

De duisternis is die
decemberavond 1944 nog maar
net over de Amsterdamse marinewijk Kattenburg gevallen of vage schimmen drommen geheimzinnig samen. Zes kinderen worden nagenoeg geruisloos in een bakfiets gehesen voor een lange, niet ongevaarlijke tocht met als eindbestemming Ameland. Coen Bulté (84) is een van hen. ‘Het was Oorlogswinter. We hadden weinig te eten. Op Ameland zou het beter voor ons zijn.’

Roots op Ameland
Coen: ‘Onze roots liggen op het eiland. M’n grootouders komen ervandaan, grootvader Barend Wiebenga was zeeman en kon werk krijgen in de haven van Amsterdam. Zodoende zijn ze verhuisd.’ Oma Christine was familie van Pieter Boelens, graanmaler op de molen van Nes. Zo zijn volgens mij toen de contacten gelegd.’

Van het gezin Bulté hadden Coen en z’n drie zussen Door, Stien en Erna zich in de bakfiets onder wat lompen verstopt voor de eerste etappe naar Den Oever, waar ze bij een boer mochten slapen. De karavaan werd begeleid door de tantes Trien en Agaath Wiebenga en een derde heldin, waarvan Coen de naam niet zeker meer weet. In Den Oever werd gewacht op de duisternis van de volgende nacht, toen te voet de Afsluitdijk moest worden overgestoken.

‘Mee tot aan Bolsward’
Hij kan zich nog tot de dag van vandaag herinneren dat ergens halverwege een auto stopte en vroeg waar ze naar op weg waren. ‘Naar Ameland’, klonk het in de nacht. Het antwoord was bemoedigend: ‘Daar kom ik niet, maar jullie kunnen wel mee tot aan Bolsward.’

Coen: ‘We moesten onder een stuk zeil kruipen, want de Duitsers mochten ons natuurlijk niet zien.’ Hij lacht. ‘Nee, ik heb het dat hele avontuur niet eng gevonden, wel spannend. We waren nog maar kinderen natuurlijk.’ Ook in Bolsward vonden ze onderdak bij een gastvrije boer. De volgende ochtend gingen ze lopend verder richting Leeuwarden. ‘Dat ging eigenlijk een beetje spelenderwijs’, zegt Bulté er nu van, ‘soms konden we een eindje meeliften op een melkkar of een paard en wagen, we bedelden onderweg ook wel bij boeren om wat te eten. Niet iedereen was even vriendelijk, maar de meesten wel. Ik weet nog dat we ergens brood met gebakken uien kregen. Een ware delicatesse.’ In Leeuwarden werden de kinderen ‘verdeeld’ over verschillende adressen om de nacht door te brengen. ‘Achteraf realiseer je je pas wat voor risico’s mensen voor ons hebben genomen.’




Samen op zolder
Nadat ze zich in Leeuwarden weer hadden verzameld, verliep ook de laatste etappe naar Holwerd zonder problemen. Coen: ‘Daar hebben we samen op zolder gelegen bij de familie Visser. Het boerderijtje staat er nog steeds.’

De volgende dag was het wachten op het juiste tij voordat ze via het kleine steigertje een oude barkas werden opgesmokkeld. Toen het kleine motorschip later kriskrassend de slibbanken ontweek zaten de verstekelingen weggedoken in het halfduister van het ruim. Uiteindelijk zou het gezelschap zonder problemen veilig op het eiland aankomen en werd Coen ondergebracht bij Gerben de Jong (Antje Gerben in de volksmond), familie in Buren. Hij zou er tot na de bevrijding op 3 juni blijven, ging er zelfs nog enige tijd naar school. ‘Een bijzondere tijd’, herinnert hij zich, ‘het leven was er heel anders dan in Amsterdam. Vrijer. En honger hebben we er niet gehad.’

De band met Ameland is nadien altijd gebleven. Er werden talloze vakanties doorgebracht en vier jaar geleden streek Coen samen met echtgenote Finy definitief neer in Buren, op het eiland van z’n voorvaderen.

Deel deze publicatie

Stuur deze pagina eenvoudig door of plaats als bericht op social media.